
Ik ben een Hijsa en een Plofsa. Ik plof overal neer en hijs me overal in en uit: in bed, uit bed, in bad, uit bad, in de zetel, uit de zetel, ik hijs me van mijn ene zij naar de andere waardoor het bed een ware aardverschuiving lijkt te ondergaan, ik plof me neer op de grond om mijn dochter af te drogen, om op te ruimen, om de krant te lezen, om mijn sokken aan te doen, wat mij bijzonder moeilijk afgaat en hijs me dan weer recht, liefst met behulp van man of kind. Ja, ook mijn dochter trekt mij nu al recht. Ze wil dat, omdat papa dat ook doet en dat moet bijzonder grappig zijn: een tweejarige, kleine pruts die een dikke, walrusachtige dame rechttrekt die minstens 6 keer zoveel weegt. Moest ik niet doen alsof, me werkelijk door haar laten rechttrekken, dan zwiept ze over mijn hoofd de kamer door, patat, tegen de muur
... niet grappig.
Ik ben een vleselijke broedmachine. Mijn lichaam behoort mij niet meer toe, waggelt onder mij door en laat boeren en scheten alsof we in China zijn. Delvoye kan er nog iets van leren. Verteren is een sterk verstoorde nevenactiviteit van dat lijf want het moet ook 40% meer bloed rondstuwen, 10 tot 15% meer lucht inademen, melkklieren aanmaken, liters vruchtwater verversen, samentrekkingen van de baarmoeder tegengaan, mijn bekken verbreden, ligamenten loszetten, er ook voor zorgen dat mijn tanden niet uitvallen en blijven alle dagelijkse dingen doen die het opperwezen, me, myself and I, wil doen, moet doen om geld te verdienen, om me nuttig te voelen, om mijn dagen te vullen en me te amuseren: zaterdag: 10 uur gewerkt; zondag: grote kinderen helpen zoeken naar verloren geld en ondertussen het door mij fel gehate stof verwijderd op alle mogelijke vindplaatsen, 's middags gaan zwemmen voor Vredeseilanden (er ongelofelijk van genoten); maandag: met manlief naar Leuven om er een tweedehands, grotere, gezinswagen te kopen, zo tussen de soep en de patatten en daarna nog eens vier uur les geven tot ik geen pap meer kon zeggen, dinsdag: ouders ontvangen met veel en lekker eten en ondertussen de wieg opzetten zodat die er nu staat, te pronken, te wachten op wat inhoud, op wat binnen een maand, plofsa, uit mijn lijf zal glijden. (Dat zou ik graag hebben, dat hij zo, plofsa, uit mij glijdt.)
Ik ben een dier, een snuffelwezen, een boordevol- instinctding en dat vind ik een eerbare en nobele gedachte. Het maakt me gelukkig even op de aarde te mogen leven, naast de nestbouwende eksters, als zuster van dieren. Als wij 's morgens, in ons bed nog een beetje proberen te slapen met klaarwakkere Moyra tussen ons, giechelend, spelend en springend op haar slaapdronken ouders dan denk ik altijd aan haar, Sultan, onze hond, met haar nest jongen in een mand in de zon, soezend en happend naar dat ene hondje, zoontje, zusje, dat niet, net als de rest, wou slapen. Ik vind het geen beetje beledigend, integendeel.
Straks ga ik mij in de kinderkamer neerploffen en alle opgeborgen babykleedjes besnuffelen, betasten, bekijken op vlekken en onfrisse geurtjes om ze alsnog in de was te doen en klaar te leggen voor dat onbekende, vreemde, kleine broertje, zoontje, kindje, wezentje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten