
5h30 Na een diepe, zwarte slaap wachtte ik en verwachtte wat komen zou: een nieuwe golf van regelmatig terugkerende weeën, steeds heviger, voller, pijnlijker. Ze bleven tijdens het warme bad met koffie, tijdens de knuffels met vrolijke, dartelende Moyra, tijdens het ontbijt met man en dochter en brood met peperkoek en wat appel (want alles wat er in ging moest er later onvermijdelijk uit, wist ik), tijdens het ritje naar het ziekenhuis in de ochtendfile. Daar kroop ik al, steunend en kreunend, langs het handvat tegen het portier op en in het ziekenhuis werd alles nog groter, erger, wreder tot ik kotsend en puffend in de douche zat en de berg bekeek die voor me stond. Ik kende de berg, herinnerde mij nog iedere steen en ik zag het niet zitten. Ik zag het nut er niet van in. Ik dacht en ik zei: “ik zet die berg opzij. Ik heb voor een kind gekozen niet voor een berg” en toen kwamen ze met naalden en draden en pleisters en knoppen, beplakten, bespoten, bekliederden mijn rug rood, staken er naald en draad in en ik voelde mij daar, merkwaardig genoeg, heel goed bij. Rudy kreeg de knop waarmee hij mijn pijn kon verlichten. Dat wou hij toch, mijn pijn verlichten en voor we uitgefascineerd waren over dit wonderlijk staaltje wetenschap had ik al de volle 10 cm opening, nog altijd pijnlijk, maar in mijn geest was plaats voor voelen, blazen, ademen. Ik mocht er weer bij zijn.
11u ‘De verlossing’: twee jonge vrouwen hielpen mij: een vroedvrouw en een stagiaire, één om alles eens te proberen – ook dat kon nu – één om alles met een merkwaardige zelfzekerheid zelf te doen want Dokter Nuradi kwam op ’t allerlaatste en zette zich demonstratief, gemakkelijk op een stoel om te tonen hoe zelfstandig die jonge vrouwen werkten. Dat was ook zo.
11.44u GORAN
‘man van de berg’ kwam, al krijsend toen hij nog met zijn beentjes in me zat en bleek ook al zo groot, zo écht, zo veel voor me om te vatten. Goran Jacob Goes: een wonderlijk sterk nieuw leven. Zoveel geluk, dat is meer dan een berg.

Het voelt hij leeft,
hij duwt, beweegt.
Hij hikt en beeft zacht
in mijn vlees.
Hij krijst en hapt,
hij drinkt gemis.
Hij kijkt en groeit,
het blijkt, hij is !
Goran Jacob Goes
’man van de berg’